De periode 1945 e.v.

————————————————————————————————————————————–
@ tekst vrij met de informatie  uit het boek ” RADARSTELING BIBER , kustverdediging op Voorne 1940-1945″ van Jeroen Rijpsma
————————————————————————————————————————————-

Direct na de bevrijding vertrokken de Duitsers uit Oostvoorne, een gehele bunkerstelling en toebehoren achterlatend.
Ook Oostvoorne was toe aan de wederopbouw. Het duingebied met versperringen, mijnenvelden, klein en groot kaliber wapens, munitie, loopgraven en ander materiaal, diende een nieuwe functie te krijgen.

De Binnenlandse Strijdkrachten (BS), gevormd uit het voormalige bezet, was hiermee opgezadeld. Ondertussen was als gevolg van schaarste ook de bevolking inmiddels betrokken bij het opschonen van het gebied, alles was bruikbaar en gewild en werd gretig gebruikt in de eigen woningen.

De BS was niet bij machte om zelfstandig te functioneren en werden omgedoopt in Lichte Infanterie Bataljons (LIB), in afwachting van de oprichting tot een nieuw Nederlands leger,  dit alles naar Engels model. Deze omvorming werd via ‘depotvorming’ uitgevoerd. Op Voorne Putten kwamen 2 depots, ook de Biberstelling kreeg daarmee een nieuwe gebruiker en heette in de volksmond destijds ‘Prins Bernard Kamp”. De lege en kale bunkers waren weinig motiverend, op de lege muren kwamen teksten als “Wij zullen maar NSB’er worden, wellicht krijgen we het beter”

Bewaking van het duingebied en het allengs ‘schoonmaken’ van het gebied hoorde bij hun opdracht. Duitse krijgsgevangen uit het kamp op eiland de Beer werden ingezet om munitie en mijnen op te sporen.

Voor verdere informatie raden wij u het boek van Jeroen Rijpsma aan.

Na deze periode bleef er een zwaar aangetast duingebied achter, beton en een kale weinig begroeide vlakte was wat restte. In 1948 kreeg landschapsarchitect Kees Sipkes de opdracht om het gebied invulling te gaan geven. De bunkers waren hierbij een vervelend, maar achteraf bruikbaar element. Het gebied werd aangevuld met zand, de functie van zeekering werd in ere hersteld en aan de Flora en Fauna werd veel aandacht besteed, zeker toen het beheer en onderhoud van het gebied in 1957 werd toegewezen aan het Zuid-Hollands Landschap.

Speciale aanplant van bomen werd georganiseerd voornamelijk om het zand te borgen en de bunkers aan het gezicht te onttrekken. Slechts een kleine 30 bunkers moest het ontgelden en werden opgeblazen. Dit als gevolg van een verregaande doorzetting van het nationale Deltaplan, de bunkers in de directe zeewering werden opgeblazen en afgevoerd.
De overige bunkers liggen volledig onder het zand met hier en daar een geringe opening die de winterhuisvesting van de vleermuizen mogelijk maakt.

Tegen het eind van de jaren 50 veranderd er weer iets in het leven van de bunker.